Ik leef tussen een tweemaal oneindig niets.
In de verte een gedachte die niet broeit.
Drammend, stuiterend rondom de kou.
De dood. Het is dan maar gezegd.
Tweemaal een oneindig niets en wie mij ziet.
Ribbenkast naar binnen gevouwen van verdriet.
Daaromheen nog vlees en draden naar jouw
oor luisterend zonder oordeel.
Het Leven. Wij zijn er, met je mee.
Category: Poem
-
Draden